STAPPEN NAAR 2020, OPROEP TOT DEBAT OVER DUURZAME ONTWIKKELING

VERANTWOORDING

In schrille tegenstelling tot alarmerende berichten over armoede, milieubederf, ontbossing, het broeikaseffect, het opraken van natuurlijke hulpbronnen, en afval dat ons opruimvermogen te boven gaat staat de actiebereidheid van nationale en internationale politici. Op de goede besluiten genomen tijdens de VN-conferenties gewijd aan het Milieu in Rio de Janeiro in 1992, aan Mensenrechten in Wenen in 1993, aan Bevolkingsgroei en Ontwikkeling in Cairo in 1994, en aan de positie en de rechten van Vrouwen in Beijing in 1995 zijn slechts teleurstellingen gevolgd. Ook de Klimaatconferentie in Kyoto in 1997 liep uit op een fiasco. Regeringsleiders blijken niet bereid of niet in staat te zijn om noodzakelijke en reeds genomen aanbevelingen en resoluties door vereiste maatregelen te laten volgen.

Ook de Nederlandse regering schiet tekort. Er is geen tekort aan herhaalde en indringende uitspraken van onze overheid op al deze terreinen, maar de Nederlandse ontwikkelingshulp ging wel - tijdens 'paars' - met 20% omlaag. Dit terwijl in Rio was toegezegd om 0,1% van het BNP extra te besteden aan milieuproblemen in derde landen. Op milieuterrein worden de meeste door de regering zelf gestelde doelen niet gehaald. Gedurende een aantal jaren is wel de milieudruk per eenheid product verminderd. Per saldo helpt dit eigenlijk niet vanwege bevolkingsgroei en consumptietoename. Het bereikte resultaat staat bovendien onder druk, doordat de meest kosteneffectieve maatregelen inmiddels genomen zijn. De markt dreigt dan zijn belangstelling te verliezen, omdat er aan milieumaatregelen niet meer te verdienen valt. Bij beslissingen over publieke investeringen wint steeds weer het economisch belang het van het milieubelang of van sociale overwegingen. .

Een veertigtal milieu- en ontwikkelingsorganisaties zegt: dit kan zo niet langer. Het geconstateerde verschil tussen duurzaamheids-beleid en de uitvoering daarvan is voor deze organisaties reden om de handen ineen te slaan. Om een beter leefbare en zich duurzaam ontwikkelende wereld te bereiken in 2020, zijn er veel ingrijpender veranderingen nodig dan die die in de voorbije jaren genomen zijn en dan nu in veel verkiezingsprogramma's worden voorgesteld. Het duurzaamheids- en armoede-debat in Nederland dient een nieuwe impuls te krijgen. Daartoe hebben de ondertekenende organisaties het volgende actieprogramma opgesteld, waarvan de grote lijn door alle organisaties wordt onderschreven. .

Dit actieprogramma sluit aan bij de Nieuwe Wereld Campagne en vult die aan. Terwijl de Nieuwe Wereld Campagne zich vooral richt op mondiale activiteiten, willen wij benadrukken wat wij zelf in eigen land kunnen doen aan structurele veranderingen die nodig zijn om het wereldmilieu en het milieu in Nederland veilig te stellen en om de armoede te bestrijden en de kloof tussen rijk en arm te verminderen.

In de komende maanden willen wij de discussie over onze voorstellen bevorderen en vooral de Nederlandze politieke partijen vragen zich over onze actie-voorstellen uit te spreken. Wij zijn ook van plan na de verkiezingen van 6 mei 1998 door te gaan, met name tijdens de fase waarin het nieuwe regeeraccoord wordt geschreven. Ook na de kabinetsformatie willen we de nieuwe bewindspersonen en de fracties in de Tweede Kamer blijven herinneren aan het grote belang dat wij hebben bij milieubehoud, duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding en aan hun toezeggingen. .

Aktie Strohalm, Alternatieve Konsumenten Bond, AMOK/ENA, Both ENDS, Center for Globalization and Sustainable Development, Centraal Missionair Beraad, Centrum voor Zending en Werelddiakonaat, CNV 'Kom over', De Kleine Aarde, Derde Wereld Centrum, EDCS, Evert Vermeer Stichting, FNV-Solidariteitsfonds 'Wij en Zij', Greenpeace Nederland, ICCO, InZet, Jongeren Milieu Aktief, Medio, Missio, Missionair Centrum, Noord-zuid werkgroep Groen Links, NOVIB, Oikos, Omslag, Religieus Genootschap der Vrienden, SOH, SNV, Stichting Duurzame Solidariteit, Stichting Global Action Plan Nederland, Stichting Internationaal Democratisch Initiatief, Stichting Invulling Stedenband Den Haag-Juigalpa, Stichting Natuur en Milieu, Verbond voor Duurzame Ontwikkeling, Vereniging Milieudefensie, Vrouwen Beraad Ontwikkelingssamenwerking, WEMOS, Werkgroep Arme Kant van Nederland, World Population Foundation, XminY Solidariteitsfonds.

INLEIDING

De mensheid is meer en beter dan ooit in staat om alle aardbewoners een menswaardig bestaan te geven, maar daardoor komen de ecologische en sociaal-politieke grenzen steeds meer in zicht. Naarmate de economie groeit moet die meer rekening houden met, en zich aanpassen aan, de begrenzing die de ecologie van de ene aarde ons oplegt. Nog nooit in de geschiedenis van de mensheid is het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en de aantasting van het milieu op aarde in zo'n hoog tempo gegaan als in de voorbije kwart eeuw. Een versnelling die nog steeds doorgaat. Tegelijkertijd leven er nog steeds 1,3 miljard mensen in volstrekte armoede en eigenlijk zonder enige hoop op een betere toekomst. Niet alleen het aantal armen blijft groeien - mede door de wereldbevolkingsgroei - de kloof tussen rijken en armen wordt steeds dieper en breder. Zo zag de armste 20% van de wereldbevolking haar aandeel in het wereldinkomen over de periode 1960-1989 dalen van 2,3 naar 1,4 procent, het aandeel van de rijkste 20% steeg daarentegen van 70,2 naar 82,7 procent. Aan de ene kant zien we dat stijgende overconsumptie van materiële goederen gepaard gaat met vervreemding van de sociale en natuurlijke omgeving. Aan de andere kant zijn groei van honger, dorst, ziekte en voortijdig overlijden, kindersterfte, uitbuiting van vrouwen, cultuurverlies, etnisch geweld en oorlogen te zien. Een extra punt van zorg is dat die armoede extra zwaar beleefd wordt door vrouwen en kinderen; die zijn er gemiddeld overal slechter aan toe dan mannen.

Nederland is een rijk land en dat betekent dat de consumptie van grondstoffen en energie op een hoog niveau ligt. Nederland is een klein land met nauwelijks meer dan 15 miljoen inwoners. Toch staat het met zijn totale uitstoot van het broeikasgas CO2 op de 25e plaats van de wereldranglijst. Kijken we naar de uitstoot per hoofd van de bevolking dan is dit zelfs de 7e. Het is comfortabel te denken dat het dus nog altijd erger kan, 'we doen het niet zo slecht'. Toch zullen we het aanzienlijk beter moeten gaan doen, al was het maar omdat we ook vinden dat andere bewoners van de aarde, in wat we nu 'ontwikkelingslanden' noemen en in de voormalige Sowjetunie, ook recht hebben op meer welvaart en een hogere consumptie, wat onvermijdelijk ook meer vervuiling met zich meebrengt.

Er zijn recent aanzienlijke verbeteringen bereikt (zeker in ons eigen land) in de kwaliteit van productie en consumptie. De belasting van het milieu verminderde daardoor. Toch zorgt de absolute groei in consumptie en productie er telkens weer voor dat de besparingen op milieuterrein per eenheid product worden teniet gedaan. De Nederlandse overheid lijkt zich (zie het Derde Nationale Milieu Plan) min of meer neer te leggen bij het niet bereiken van internationaal gestelde doelen tot vermindering van milieubelasting.

Onderzoek laat zien dat ook in Nederland armoede voorkomt. Ongeveer een miljoen mensen leeft onder de hier gehanteerde armoedegrens. 'Zwart' en 'grijs' werken, lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden zijn hiervan uitingen. Toenemende ongelijkheid leidt in Nederland en in de wereld tot spanningen en conflicten. Inmiddels zijn er op deze wereld al meer dan 45 miljoen officieel geregistreerde vluchtelingen. Het doet er dan voor hen niet zo veel toe of zij 'economisch' dan wel 'politiek' vluchteling zijn. De vetpotten hier zijn altijd gerieflijker dan de materiële armoede thuis. Onze reactie is die van een "Fort Europa', wij sluiten in toenemende mate de gezamenlijke grens en als Italië dat niet krachtig genoeg doet, klagen wij.

De toenemende ongelijke welvaartsverdeling heeft ook tot gevolg dat in de samenleving een verharding optreedt in de onderlinge verhoudingen. De afstand tussen besluitvormende instellingen en individuele burgers groeit. Daardoor worden de mogelijkheden voor de burgers om zelf sturend op te treden, verkleind. Een rechtvaardige verdeling van inkomens heeft alles te maken met democratie, met de uitoefening van macht in de besturing van onze maatschappij. De markt kan het niet alleen. De overheid dient corrigerend op te treden om grove onrechtvaardigheden weg te nemen. Maatschappelijke organisaties - elders wel genoemd 'civil society' of 'het middenveld' - spelen meer en meer een rol in de uitvoering van beleid en in de beïnvloeding van besluitvorming bij de overheden en in het nationale en internationale bedrijfsleven. Activiteiten die vroeger bij uitstek het domein waren van politieke partijen, worden nu meer en meer overgenomen door groepen van belanghebbenden of geïnteresseerden, dikwijls 'one issue' georiënteerden. Wij willen aandacht blijven vragen voor de samenhang der verschijnselen in onze maatschappij, ook al zijn we dikwijls de verdedigers van een bepaald belang dat onze bijzondere aandacht verdient en krijgt. De toenemende betrokkenheid van maatschappelijke organisaties - dikwijls in concurrentie met politieke partijen - bij bewustwording over, verzet tegen of ondersteuning van maatschappelijke en economische ontwikkelingen in Nederland en daarbuiten dient door de politiek serieus te worden genomen.

Vanwege de noodzaak de relatie tussen milieudegradatie en armoede duidelijk voor het voetlicht te brengen en het debat over de noodzakelijke structurele veranderingen in Nederland te stimuleren, pleiten de ondertekenaars van dit aktieprogramma vooral voor:

    1 Afkicken van consumptiedwang;
    2 Brainport boven mainport;
    3 Een officieel milieukeurmerk;
    4 Een Raad voor Duurzame Ontwikkeling;
    5 Een verbod op wapenexporten;
    6 Een milieu- en armoedetoets;
    7 Wegnemen van achterstand van vrouwen;
    8 Een ruimhartiger asielbeleid;
    9 Een Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; en
    10 Een beroepsmogelijkheid tegen incoherent Europees beleid.

1 CONSUMPTIE EN ENERGIEGEBRUIK

Nederland is een rijk land en dat betekent dat de consumptie van grondstoffen en energie op een uitermate hoog niveau ligt. Een klein land als Nederland met zijn 15 miljoen inwoners staat qua totale uitstoot van het broeikasgas CO2 op de 25e plaats van de wereldranglijst. Kijken we naar de uitstoot per hoofd van de bevolking dan is dit zelfs de 7e. De consumptie van aluminium per hoofd van de bevolking bijvoorbeeld ligt drie keer zo hoog als het gemiddelde voor de wereld. Een zelfde hoge consumptie is er ook voor andere grondstoffen. Willen ontwikkelingslanden ook nog een kans krijgen om economisch te groeien dan zullen consumptie en energiegebruik omlaag moeten en milieuvriendelijker moeten worden gemaakt. Zo zouden de uitstoot van CO2 en het gebruik van ruw ijzer met meer dan drie kwart moeten worden teruggebracht. Dit vereist een verandering in denken en een aantal structurele veranderingen.

Duurzaamheid voorop

• Duurzaamheid van productie en consumptie moet veel meer voorop komen te staan en economische groei mag en dient niet het hoogste ideaal te zijn. Verantwoord ondernemen, waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen duurzaam produceren en consumeren, belangen van werknemers hier en elders op de wereld, milieuwaarden en bedrijfsbelangen is van grote betekenis om de toekomst vorm te geven;

Consuminderen

• De welvaartsgroei in Nederland en de bijbehorende groei in inkomens breidt de consumptiemogelijkheden voor individuen schijnbaar eindeloos uit. Dat betekent dat ook een verandering in denken van consumenten nodig is en de aandrang tot het aanschaffen van materiële zaken vermindert. Daarom moet de overheid, onder andere, op materiële zaken milieukosten doorberekenen en op diensten of arbeid belastingen verlagen. De consumptie van minder milieubelastende goederen en diensten (sport en cultuur bijvoorbeeld) wordt daardoor gestimuleerd;

Milieukosten betalen

• Milieukosten moeten in de prijs van producten en consumptiegoederen tot uiting komen. De overheid moet dat stimuleren door belastingen en heffingen groener te maken: belastingen om milieu-onvriendelijke consumptie en productie duurder te maken, heffingen en statiegeldregelingen om recyclingskosten te verhalen;

Duurzame energie

• Nederland moet binnen Europees verband een beleid voeren om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, ondersteund door veel meer nationale initiatieven. Nederland stimuleert nog meer het gebruik van duurzame energiebronnen (wind, zon, getijden, stroming), ook via aantrekkelijke kortingen of geringer BTW-heffing. Subsidies voor niet-milieuvriendelijke energie-opwekking verdwijnen. Bezuiniging op energie kan ook via het intrekken van vergunningen;

Milieukeurmerk

• Voor alle vormen van consumptie zijn (overheids)plannen nodig om met zo gering mogelijk gebruik van natuurlijke hulpbronnen of zo groot mogelijk hergebruik daarvan in de behoeften te voorzien. Het instellen van een officieel milieukeurmerk met opgave van milieubelasting moet consumenten stimuleren tot milieuvriendelijker consumptie. Goederen met een dergelijk milieukeurmerk moeten onder een lager BTW-tarief vallen. Een dergelijk milieukeurmerk moet ook in de reclame zichtbaar gemaakt worden;

Onderzoek Eco-miles

• Onderzoek is nodig naar de haalbaarheid van de landelijke invoering van een Eco-Miles systeem waarbij punten gespaard worden bij aankoop van milieu-vriendelijke verantwoorde producten (punten die recht geven op korting bij aangesloten bedrijven, openbaar vervoer, theaters en tal van andere milieuvriendelijke voorzieningen).

2 PRODUCTIE

Alhoewel er de afgelopen jaren de nodige verbeteringen zijn bereikt wat betreft de meer directe milieuvervuiling (oppervlaktewater, luchtvervuiling), blijft de economische productie nog steeds een te groot beslag leggen op het milieu. Dat geldt voor landbouw en visserij, maar ook voor de industrie. In onze samenleving neemt de industriële sector een cruciale plaats in. De sector is de onmisbare motor voor groei en daarmee een belangrijke verschaffer van rijkdom en welvaart. Daarnaast is zij echter ook een belangrijke veroorzaker van verspilling en vervuiling. Het Brundtlandrapport stelde dan ook dat de industrie 'meer met minder' moet gaan produceren. In plaats van grondstoffen-intensief, grondstoffen-extensief. Nieuwe technologieën die tot een betere benutting en zo tot een verruiming van de grenzen van de milieugebruiksruimte leiden moeten dit mogelijk maken. Technologische innovaties zijn echter onvoldoende.

Verplaatsing van productie naar ontwikkelingslanden, heeft vanaf de jaren zestig een toenemende omvang. Nogal eens dragen deze investeringen het karakter van het ontduiken van allerlei wettelijke regelingen op financieel, sociaal-economisch of milieuterrein.

Reële behoefte

• De productie dient meer te worden georganiseerd vanuit de vraag dan vanuit de aanbod-zijde en georiënteerd op de reële in plaats van de gecreëerde behoefte. De maatschappelijke relevantie van hoe en wat er geproduceerd wordt, moet meer bepalend worden;

Groen en sociaal beleggen

• Ecologisch en sociaal verantwoord beleggen moet gestimuleerd worden, onder andere via belastingmaatregelen. Niet alleen het zeker stellen van de pensioenen, maar ook het stimuleren van sociaal wenselijke en ecologisch verantwoorde productie dient een belangrijke rol in de besluitvorming te spelen;

Vervuiling terug

• Via het verder uitbouwen van convenanten moet het hergebruik van grondstoffen gestimuleerd worden in plaats van vervuilende stoffen uit te stoten. Een sterke vermindering van de huidige dioxine-uitstoot is noodzakelijk. Subsidiëring van milieu-verontreiniging middels belastingsystemen moet worden stop gezet;

Technologie

• Export van gevaarlijk afval, niet alleen naar ontwikkelingslanden, maar ook naar OESO-landen wordt verboden. Regelgeving met betrekking tot storting, verbranding, hergebruik en opslag/transport van (gevaarlijk) afval moet beter nageleefd en gecontroleerd worden. Subsidie wordt gegeven voor programma's en technologie-ontwikkeling voor schone productie. Het recht op bescherming van het kenniseigendom van deze essentiële technologieën moet worden versoepeld. Aan ontwikkelings- en Oosteuropeselanden wordt deze technologie via hulpprogramma's beschikbaar gesteld;

Visserij

• Er moeten visserijmoratoria ingesteld worden voor ecologisch kwetsbare gebieden of kwetsbare seizoenen. Destructieve vormen van visserij worden verboden. Visserijverdragen met ontwikkelingslanden worden kritisch herzien op gevolgen voor de visstand en voor lokale vissersgemeenschappen;

Genetische Manipulatie

• Genetische manipulatie is niet per definitie verwerpelijk. Zo kan het 'inbouwen' van resistentie bijvoorbeeld leiden tot minder gebruik van bestrijdingsmiddelen. De keuzevrijheid van de consument (om niet geforceerd te worden tot consumptie van genetisch gemanipuleerde producten) moet op korte termijn via wettelijke bepalingen gegarandeerd worden. Over de grenzen van genetische manipulatie dient een brede maatschappelijke discussie gevoerd te worden;

Ontbossing

• Door certificatie van duurzaam geproduceerd hout en papier en via internationale afspraken moet er een snelle omschakeling plaats vinden naar duurzame houtwinning om een halt toe te roepen aan de ontbossing.

3 INFRASTRUCTUUR, BRAINPORT EN/OF MAINPORT

Vanaf het einde van de Middeleeuwen heeft Nederland door zijn strategische ligging in Europa gefunctioneerd als overslaghaven en stapelplaats. Zo lang er gezeild werd en binnenlands vervoer verliep via de duw- of trekvaart, was de milieubelasting nog uitermate gering. De discussies over Schiphol en de uitbreiding van de havens in het Rijnmond-gebied geven aan dat dat stadium al lang gepasseerd is. De kreet 'Nederland distributieland' verdient heroverweging. Transport en distributie moeten niet gezien worden als een doel op zichzelf.

Afremmen vervoer

• Transport en distributie zijn geen doel, hoogstens een middel. 'Nederland distributieland' doet het goed als leuze, maar is als economische activiteit nauwelijks renderend en zeer muilieubelastend. Het afremmen en verminderen van vervoersstromen en de milieubelasting daarvan moet een veel centraler plaats in het Nederlandse en Europese beleid innemen. Een dergelijk beleid omvat velerlei aspecten. Verborgen en zichtbare subsidies op vervoerskosten worden afgeschaft, reële maatschappelijke en milieu-kosten worden in de vervoersprijs zichtbaar gemaakt, thuiswerk (telewerken) en verhuizen worden bevorderd, evenals regionale zelfvoorziening voor een aantal producten;

Openbaar vervoer

• Tegengaan van congestie bij alle verkeer en vervoer, verhoging van verkeersveiligheid en vermindering van de milieubelasting moet leiden tot een veel gerichter beleid ter bevordering van openbaar vervoer. Dat betekent dat aan vele kleine projecten ter verbetering van het binnenlands openbaar vervoer meer waarde moet worden gehecht dan aan de grote infrastructurele projecten die voornamelijk grensoverschrijdend nut opleveren;

Brainport

• Nederland zal veel meer een brainport dan een mainport moeten worden. Dat betekent dat de Nederlandse overheid milieubelastende economische productie, zoals transport, zal moeten afremmen ten faveure van duurzame productie, zoals kennisontwikkeling. Wat dat betreft investeert Nederland te weinig in kennisontwikkeling en kennisexport en teveel in fysieke infrastructuur;

Geen 2de Schiphol

• De discussies over de luchtvaart mogen niet alleen over geluidsoverlast gaan, maar moeten milieuvervuiling en veiligheid voor passagiers en omwonenden in brede zin omvatten. Instelling van een Europese kerosineheffing en BTW op vliegtickets moeten het vliegverkeer ontmoedigen, zodat een tweede nationale luchthaven niet nodig is;

Volksstemmingen

• Bij megaprojecten moet de maatschappelijke discussie veel meer bevorderd worden en moeten volksstemmingen een grotere rol spelen.

4 RECHTVAARDIGE VERDELING

Op mondiaal nivo hebben wij te maken met een toenemende denivellering. Zo zag de armste 20% van de wereldbevolking haar aandeel (over de periode 1960-1989) in het wereldinkomen dalen van 2,3 naar 1,4 procent, het aandeel van de rijkste 20% steeg daarentegen van 70,2 naar 82,7 procent. Deze grote verschillen vinden we terug in het oppervlakte grondgebruik per inwoner. Ook op nationaal nivo zien we de kloof tusen arm en rijk verdiepen. Onderzoek laat zien dat in Nederland ongeveer een miljoen mensen onder de hier gehanteerde armoedegrens leeft. Het fenomeen van de illegale arbeid, waarbij mensen moeten werken voor lage lonen en onder slechte arbeidsomstandigheden, is daar een duidelijke uiting van. Aan mensen over de hele wereld worden steeds hogere eisen gesteld om aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen. De afstand tussen besluitvormende instellingen en de individuele burger groeit. Daardoor worden de mogelijkheden om als burger zelf sturend op te treden verkleind. Toenemende ongelijkheid leidt tot spanningen en conflicten. Inmiddels zijn er op deze wereld meer dan 45 miljoen vluchtelingen. Mensen die niet de kans krijgen hun eigen ontwikkeling ter hand te nemen en door het welgestelde Noorden in toenemende mate worden buitengesloten.

Het is duidelijk dat deze toenemende ongelijke welvaartverdeling een verharding van de maatschappij tot gevolg heeft. Ze leidt aan de ene kant tot ongebreidelde overconsumptie, aan de andere tot verkleining van de ontwikkelingskansen. Een rechtvaardige verdeling wordt niet tot stand gebracht door de markt alleen. De samenleving is maakbaar. De overheid dient corrigerend op te treden om grove onrechtvaardigheden weg te nemen.

Gelijktijdige Solidariteit

• Een samenhangend nationaal en Europees beleid moet vorm gegeven worden vanuit een mondiaal perspectief. Gelijktijdige solidariteit is daarbij het uitgangspunt: de herverdeling van middelen binnen Nederland en de EU gaat hand in hand met een mondiale herverdeling. Nederland moet een beleid voeren dat opkomt voor arme en kwetsbare groepen en dat zorgt voor het milieu. Uit onderzoek is gebleken dat vooral onder vrouwen de armoede groot is. Derhalve dient de minister van Buitenlandse Zaken het Beijing Platform for Action (van de vierde Wereldvrouwenconferentie) te implementeren. In deze verklaring is voor diverse terreinen een genderaspect aangebracht en worden aanbevelingen gedaan die de positie van vrouwen kunnen verbeteren. Met het oog op gelijktijdige solidariteit moet Nederland ook de politieke moed opbrengen om ten behoeve van het buitenland duidelijke grenzen te stellen aan de eigen milieugebruiksruimte;

Vrouwen in Nederland • De nationale rapportage anno 1997 over de 'Naleving van het VN-Vrouwenverdrag', waartoe de Nederlandse regering zich heeft verplicht, toont aan dat er in Nederland nog te weinig aandacht is voor de nadelige effecten van overheidsbeleid voor vrouwen. Cijfers over arbeids- en maatschappelijke participatie wijzen dat uit. Indirecte discriminerende effecten van beleid worden onvoldoende belicht. Stereotype beeldvorming over mannen en vrouwen waarbij onderscheid gemaakt wordt door aan hen op grond van geslacht verschillende waarden en kwaliteiten in gedrag toe te kennen, moet worden doorbroken. De rapportagecommissie doet concrete aanbevelingen op een aantal beleidsterreinen: bevordering van maatschappelijke en politieke participatie, arbeid en inkomen, gezondheidszorg, familieleven, vreemdelingenbeleid, sport, onderwijs, geweld tegen vrouwen en vrouwenhandel. Op al deze gebieden moet wetgeving en beleid tot stand komen om de positie van vrouwen te verbeteren;

Werk en zorg

• Het betaalde werk moet beter worden verdeeld. Om werk en zorg te kunnen combineren dient het flankerend beleid te worden verbeterd. Het recht op deeltijdarbeid wordt erkend en opvangmogelijkheden voor kinderen uitgebreid;

Lokaal in eigen hand

• Het is belangrijk dat mensen op lokaal niveau hun ontwikkeling in eigen hand kunnen nemen. Door lokale ruilmiddelen in te voeren, bijvoorbeeld met behulp van LETSystemen, kan dit ondersteund worden. Medewerking van sociale diensten en de belastingdienst wordt geregeld, zodat deelnemers aan LETSystemen niet teveel gehinderd worden door kortingen op eventuele uitkeringen en onvoorziene belastingaanslagen;

Afwenteling en armen

• De markt wentelt kosten zowel op het milieu als op de armsten af. Door gericht beleid dienen overheden dit te voorkomen. Milieukosten en sociale kosten moeten in de prijzen worden verdisconteerd. Ook moet om een adequaat beleid te ontwikkelen meer onderzoek worden gedaan naar het optreden van afwentelingsmechanismen;

Gevolgen voor armen

• Bij beleidsbeslissingen en verantwoording over uitgevoerde activiteiten moet expliciet worden aangegeven wat de gevolgen zijn (geweest) voor de kansarmen en het milieu;

Vrede en stabiliteit

• Er moet meer politieke aandacht voor geweldsdreiging en conflictbeheersing komen. Misdaden tegen de mensheid mogen niet ongestraft worden gelaten. Economische ontwikkeling draagt op den duur meer bij aan vrede en stabiliteit dan bewapening. Door bezuiniging op militaire uitgaven komen financiële middelen vrij voor economische ontwikkeling en bestrijding van armoede;

Illegalen

• Het wettelijk kader voor de opvang van vreemdelingen in Nederland is grotendeels gereed, maar draagt sterk het karakter van criminaliteitsbestrijding (accoord van Schengen). Het maakt bovendien afgewezen asielzoekers 'onzichtbaar' door hen in de illegaliteit te laten verdwijnen. De overheid heeft een opvang-plicht ten aanzien van asielzoekers en vluchtelingen, ook als zij uitgeprocedeerd zijn maar hun uitzetting naar buur- of herkomstlanden niet kan worden gerealiseerd. De beroepsmogelijkheid in de vreemdelingenwet moet worden hersteld. Afgewezen asielzoekers mogen alleen worden teruggezonden als, volgens de ambstberichten aangevuld met rapportages van onafhankelijke (internationale) instanties, hun veiligheid kan worden gegarandeerd.

5 CIVIL SOCIETY

Internationaal en nationaal spelen maatschappelijke organisaties een steeds belangrijkere rol. Dat is niet alleen duidelijk van zulke bijeenkomsten als de Sociale Top in Kopenhagen, de Vrouwenconferentie in Beijing en de Klimaat-conferentie in Kyoto, maar ook van activiteiten rond Schiphol, de Betuwelijn en de Hoge Snelheidslijn door het Groene Hart. Bij al dit soort van zaken laten maatschappelijke organisaties hun stem steeds luider en duidelijker horen.

Als maatschappelijke organisaties bewegen wij ons op het niveau tussen overheid (en bedrijfsleven) en de burger. Als zodanig vervullen wij twee essentiële taken. Aan de ene kant dienen we als informatiekanaal naar de burgers. Aan de andere kant spelen we ook de rol van 'watch-dog' en 'beleidsbeïnvloeder' naar de Nederlandse overheid, het internationaal of nationaal opererende bedrijfsleven en internationale verdragen. De toenemende betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij bewustwording over, verzet tegen of ondersteuning van maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland en daarbuiten dient door de politiek serieus genomen te worden.

Terwijl de grote verscheidenheid van de maatschappelijke organisaties alleen al in Nederland aan de ene kant een kracht is, is het aan de andere kant ook een zwakte. Vaak staan wij in meningen recht tegen over elkaar en zijn we elkaars concurrenten in de alsmaar slinkende subsidiestroom. Het gebrek aan samenwerking tussen de maatschappelijke organisaties maakt onze effectiviteit geringer dan die zou kunnen zijn. Het is dan ook belangrijk dat we de angst voor het verlies van ons eigen karakter te boven komen en bereid zijn te zoeken naar wat ons bindt. De toenemende milieu- en ontwikkelingsproblemen roepen ook om een grotere coherentie bij de maatschappelijke organisaties.

Bewustwording

• Wij willen zelf als maatschappelijke organisaties onze eigen activiteiten gericht op bevolkingsparticipatie in versterkte mate voortzetten. Wij willen ook in sterkere mate betrokken worden in campagnes van de overheid gericht op armoedebestrijding en milieubehoud. Dat wil zeggen dat meer gebruik wordt gemaakt van voorlichting en educatie via maatschappelijke organisaties en dat de overheid de succesvolle voorbeelden van specifieke milieu- en ontwikkelingsorganisaties stimuleert middels verdergaande subsidiëring. In deze campagnes dient in grotere mate de relatie tussen milieu en het ontwikkelingsvraagstuk gelegd te worden;

Overleg

• De overleg-structuur, die het belangrijkste onderdeel vormt van het poldermodel, dient zich niet alleen te richten op het sociaal-economische vlak maar ook op het vlak van milieu en duurzame ontwikkeling. In de reeds genoemde Raad voor Duurzame Ontwikkeling (RDO) spelen vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties een belangrijke rol;

Ondersteuning

• De overheid ondersteunt in samenwerking met maatschappelijke organisaties in toenemende mate lokale initiatieven op het terrein van milieu en mondiale ontwikkeling;

Afstemming

• Maatschappelijke organisaties stemmen hun activiteiten beter op elkaar af om zodoende beter in staat te zijn hun bewustwordings- en 'watch dog'/beleidsbeïnvloedings functie uit te oefenen;

Informatievoorziening

• De overheid voorziet zowel de maatschappelijke organisaties als de burgers van alle noodzakelijke informatie om te komen tot een afgewogen besluitvorming. Maatschappelijke organisaties zelf dienen een opener informatievoorziening te verzorgen. Propaganda en informatievoorziening dienen nadrukkelijk te worden gescheiden.

6 INSTITUTIONELE HERVORMINGEN

Terwijl de mondialisering verder voortschrijdt, blijken nationale en internationale bestuursorganen steeds minder vat te hebben op hun beleidsuitvoerende en controlerende taken. De VN zijn machteloos, ook al omdat de belangrijkste lidstaten veelal buiten deze organisatie omgaan en niet aan hun verplichtingen voldoen. Internationale conferenties komen nog niet halfweegs tot de besluiten die feitelijk, gezien de armoede- en milieuproblemen, vereist zijn. Ook binnen Nederland is het uitermate moeilijk om tot een geïntegreerd en coherent beleid te komen. De institutionele verankering van allerlei deelbelangen leidt ertoe dat beleid vanuit verkokerde situaties tot stand komt en halfwas compromissen de overhand krijgen. Een veel duidelijker prioriteitsstelling en het opleggen van deze prioriteiten aan andere beleidsterreinen is vereist. De besluitvorming zal ook democratischer moeten geschieden. Zowel nationaal als internationaal is er de neiging om besluitvorming steeds verder weg te plaatsen van de burger, waardoor democratische beïnvloeding en controle aan betekenis verliezen.

Milieu- en armoedetoets

• Er zal zowel nationaal als internationaal vanuit centrale doelstellingen op het terrein van milieu-bescherming en -behoud en mondiale armoedebestrijding dienen te worden gedacht bij het formuleren en implementeren van beleid. Dit vereist milieu- en armoedetoetsen op alle terreinen. Zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie moet dit leiden tot een meer coherent beleid;

(Inter)nationaal

• Veranderingen in Nederland alleen zijn onvoldoende, maar dat mag geen excuus zijn om in Nederland niets te doen. Bij die veranderingen moet het uitbreiden van democratische controle, het instellen van mondiale belastingsystemen en het ontwikkelen van een internationaal sociaal vangnet voorop staan;

Onderraad voor Duurzame Ontwikkeling

• Het beleid voor duurzame ontwikkeling dient veel meer voorrang te krijgen. De voorrang voor milieubeleid en ontwikkelingsvraagstukken zou onder andere bereikt moeten worden door binnen de ministerraad een speciale onderraad voor duurzame ontwikkeling in te stellen;

Raad voor Duurzame Ontwikkeling

• Naast een dergelijke onderraad op ministerieel niveau dienen ook de sociale partners en maatschappelijke organisaties bij het duurzaamheidsbeleid betrokken te worden. Dat vereist het opzetten van een Raad voor Duurzame Ontwikkeling (RDO) naar analogie van de Sociaal Economische Raad. Deze RDO moet advies uitbrengen over alle wetgeving en alle (investerings)-projecten met grote (negatieve) milieu-effecten;

De minister blijft

• Ontwikkelingssamenwerking dient een belangrijke rol te blijven spelen binnen het Nederlandse beleid. Het gaat daarbij niet zozeer om een organisatorische, maar juist om een inhoudelijke zaak. Omdat ontwikkelingssamenwerking vele aspecten van nationaal en internationaal beleid betreft, is het voor het nastreven van een coherent beleid noodzakelijk dat er een minister voor Ontwikkelingssamenwerking blijft;

Coherentie

• Coherent beleid gericht op duurzame ontwikkeling moet er ook in Europees verband komen. Nu zijn er nog op teveel Europese beleidsterreinen maatregelen die bijvoorbeeld de export vanuit ontwikkelingslanden hinderen. Zo is er, mede met het oog op duurzame ontwikkeling, een minder protectionistisch en ecologisch meer verantwoord landbouwbeleid nodig. Ontwikkelingslanden zouden ook klachten over incoherent Europees beleid bij een onafhankelijke Europese instantie moeten kunnen indienen;

Stop wapenexport

• Terugdringing van militaire uitgaven en bewapening, o.a. door een stop op de export van lichte wapens vanuit de Europese Unie, moet verdere middelen vrijmaken voor milieubehoud en armoedebestrijding in Nederland en internationaal en daarmee ook voor conflictpreventie. De gegevens over de (Nederlandse) wapenhandel dienen openbaar te zijn.

Gepubliceerd april 1998